
Arwad is het enige bewoonde Syrische eiland en staat bekend om haar Fenicische scheepsbouwtraditie, die meer dan 2500 jaar teruggaat. Ook tijdens de burgeroorlog heeft het eiland de traditie in stand weten te houden.
In de zinderende zon, tegen een achtergrond van de Middellandse Zee, slaan mannen spijkers in de achtersteven van een houten boot. Duizenden jaren lang hebben vele handen gezwoegd om deze vaartuigen tot stand te brengen. Halfafgebouwde geraamtes staan verspreid over het strand terwijl hun reeds voltooide witgeschilderde evenbeelden aan de horizon prijken.
Een meter of twee verderop kijkt Mohamed Bahlawan toe. In zijn gerimpelde handen houdt hij een wandelstok, zijn ogen zijn vochtig van de ouderdom. Hij knijpt ze een beetje dicht terwijl hij zijn woorden lang- zaam maar duidelijk articuleert. ‘Wat wij hier doen is zeldzaam,’ zegt hij met een sprankje trots in zijn stem. ‘Dit werk is nergens anders ter wereld te vinden.’
Bahlawan is een bewoner van Arwad, een eiland op 4 kilometer afstand van de Syrische kuststad Tartus. Arwad is het enige van een handjevol Syrische eilanden dat bewoond is en staat deels bekend om haar Fenicische scheepsbouwtraditie, die meer dan 2500 jaar teruggaat.
Arwat staat deels bekend om haar Fenicische scheepsbouwtraditie, die meer dan 2500 jaar teruggaat.
Vrijwel alle bewoners van het idyllische eiland zijn soenitisch. Hoewel de burgeroorlog het grootste deel van het land verwoestte, is Arwad er zonder fysieke schade van afgekomen. Wel vertrokken veel inwoners naar het buitenland om het regime van Bashar al-Assad of de militaire dienstplicht voor jonge mannen te ontvluchten. Veel anderen verhuisden naar het vasteland om werk te zoeken.
Voor de eilanders is de manier om de kost te verdienen onlosmakelijk verbonden met de omliggende zee; de meesten zijn matroos of visser en een kleiner gedeelte omarmt de traditie van scheepsbouw. Bahlawan erfde het beroep van zijn vader, die het weer van zijn vader leerde. Hij haalt herinneringen op over hoe het vak door de jaren heen veranderde.
Handwerk
‘In het begin deden we alles met de hand. We hadden geen elektrisch gereedschap, enkel een zaag, een dissel, een boor. Later innoveerden we; we kregen een houtzagerij en begonnen met elektriciteit te werken,’ vertelt hij. Zijn woorden worden overstemd door werkgeluiden verderop.
Iets verderop regelt zijn zoon, Farouk Mohamed Bahlawan, de productie van een boot naast zijn werkplaats aan zee. De vijfenvijftigjarige Farouk zit al vijfenveertig jaar in het vak. Tijdens de burgeroorlog kampte hij met de hoge materiaalprijzen, die zijn export beïnvloedden. De problemen werden verergerd door de helse bureaucratische procedures van de Algemene Syrische Autoriteit voor Land- en Zeehavens. ‘Ooit kon je alleen een [scheeps]bouwvergunning krijgen door iemand om te kopen,’ vertelt hij. ‘Nu is de rust teruggekeerd, worden er dingen gefaciliteerd en worden we aangemoedigd om in het vak te blijven.’
Nazem Taleb, huidig hoofd van de haven van Arwad, legt uit hoe de oorlog en de aanwezigheid van controleposten – waar reizigers tussen de verschillende gouvernementen vaak werden gearresteerd – mensen ontmoedigden om Arwad te bezoeken. ‘Er kwam zelfs bijna niemand meer,’ vertelt hij, en voegt eraan toe dat het eiland nu ook vaak bezoekers uit andere delen van Syrië ontvangt, evenals uit andere landen, zoals Libanon en Turkije.
Kinderen spelen aan de waterkant op het eiland Arwad, Syrië. – © Anagha NairDe veertigjarige Hibra Qanatre uit Idlib is een van die bezoekers. Voor de val van het regime was het vanwege de aanhoudende burgeroorlog nagenoeg onmogelijk om het eiland aan te doen. Idlib werd geregeerd door de rebellengroep Hayat Tahrir al-Sham. Andere delen van het land vielen nog steeds onder het gezag van Assad.
‘Voor de revolutie kwam ik vaak naar Arwad – dit is mijn eerste keer na de val van het regime,’ vertelt ze op een van de veerponten die tussen Tartus en het eiland varen. Taleb zegt dat er dertig à veertig boten per dag aankomen op het eiland, elk met ongeveer veertig mensen aan boord. ‘Als begin is dat een mooi aantal bezoekers,’ zegt ze. Qanatres negenjarige nichtje Sara kijkt toe terwijl haar tante over haar bezoek vertelt. Ze is hier samen met haar moeder en haar nicht Naya. Terwijl de boot Arwad benadert, glimlachen de meiden breed en maken ze met hun vingers hartjes voor de foto, met de rug naar het eiland gekeerd. Lachende moeders houden telefoons in de lucht om ze te fotograferen.
‘Dit is de eerste keer dat ik naar het eiland kom. Het is heel anders [dan Idlib],’ zegt Sara terwijl ze plukjes haar uit haar gezicht veegt. ‘Wij hebben geen zee, en het weer is hier ook beter.’
Er klinken geen toeterende auto’s en er hangt geen uitlaatrook.
Tijdens Assads regime was de lucht altijd vervuld van de geur van wantrouwen en de gevreesde inlichtingendienst van de staat. Zoals in veel andere delen van het land voelden ook de inwoners van Arwad de ijzeren greep van het regime. Nu slenteren mensen rond in de hitte, hun handen plakkerig van het ijs dat ze aan zee hebben gegeten. Er klinken geen toeterende auto’s en er hangt geen uitlaatrook. Er heerst een geanimeerde sfeer tussen bewoners die elkaar passeren. Verder landinwaarts kijkt Mustafa Ali Bahar, een bewoner van Arwad, trots naar een bord dat hij voor de snoep- en drankjeszaak van zijn zoon heeft geplaatst. Naast een karikatuur van de ten val gebrachte president Assad staan de woorden ‘Waarom zouden we elkaar ontmoeten? Om bijvoorbeeld een drankje te drinken, haha’. De woorden zijn een referentie naar Assads antwoord op een journalist die hem in augustus 2025 in een interview vroeg waarom hij weigerde in gesprek te gaan met de Turkse president Recep Tayyip Erdoğan. ‘Voorheen zou ik hiervoor naar Sednaya moeten,’ zegt hij terwijl hij naar het bord wijst. Hij doelt op de beruchte gevangenis waar tegenstanders van het regime en gewone Syriërs werden gemarteld.
Maar, geeft hij ook toe, niet alle wonden zijn geheeld. Veel mensen die door de regering gevangen werden genomen, zijn nog niet teruggekeerd. Over hen is nog niets bekend.
180 graden gedraaid
In Arwad zijn we allemaal een soort familie – sommige van mijn buren werden gezocht en sommige van mijn familieleden ook,’ zegt hij. Hij vertelt dat het eiland destijds zwaar was doordrongen van informanten en functionarissen uit verschillende overheidsdiensten, zowel administratief als gerelateerd aan de inlichtingendiensten. ‘Na de bevrijding keerden veel [vluchtelingen] terug.’
Farouk Bahlawan vertelt dat de situatie van Arwad ‘180 graden is gedraaid’ sinds het regime ten val kwam, maar dat hij hoopt dat de faciliteiten nog verder zullen verbeteren. ‘Vandaag de dag worstelen we met [het gebrek aan] elektriciteit. Ook moeten belastingen van de gemeente of het ministerie van Binnenlandse Zaken worden verlaagd zodat we in ons vakgebied kunnen blijven.’
Farouk werd geboren in een familie die veel kennis heeft van de scheepsbouwtraditie. Zijn zonen wilden hem graag opvolgen, maar Farouk was het daar niet mee eens. Nu zijn zijn zonen opgeleid in werktuigbouwkunde. ‘Ze wilden het vak leren, maar ik liet het niet toe,’ zegt hij op ietwat defensieve toon. ‘De reden is dat we hevig werden onderdrukt en beïnvloed door de havenautoriteiten.’
De meeste eilanders moesten in die tijd knokken om hun vak te beoefenen. Visser Mustafa Alaa Othman vertelt dat hoewel zijn kinderen niet voor het vak hebben gekozen, een van hen wel besloot maritieme studies te doen, wat ook een manier is om maritiem officier te worden.
Plofvissen
Othman legt uit dat de prijzen torenhoog waren en dat het regime op veel plekken aan plofvissen deed, een verwoestende techniek die vissen in het water doodt, zodat ze de vishandel konden monopoliseren. ‘Uiteindelijk hadden deze praktijken effect op ons en we konden er niets tegen doen,’ zegt hij. Hij hoopt dat de tijd waarin de zee nog barstte van de vissen, op een dag zijn wederkeer maakt.
Ook Farouk is optimistisch over de toekomst van zijn werk op het eiland. Hij vertelt dat hij er bij de regering op aandringt een instituut te stichten waar mensen scheepsbouw kunnen leren, zodat meer jonge mensen zich in het vak kunnen specialiseren. ‘Ik zou docent willen worden bij zo’n soort school, zodat dit beroep kan blijven bestaan.’
Farouk Bahlawan wijst naar de arbeiders terwijl zij een boot bouwen. – © Anagha NairVoor hem is scheepsbouw niet slechts een manier om geld te verdienen, maar een levenswijze. Hij beweert dat hij zich elke boot kan herinneren die hij in de afgelopen dertig jaar heeft gebouwd. ‘Als ik zie dat een van mijn boten wordt verwaarloosd, of aan reparatie toe is, doet me dat veel pijn,’ vertelt hij. ‘Ik ga met de boten om alsof het mensen zijn.’ Othman onderschrijft dit gevoel; hij gelooft dat het eiland Arwad moet worden gekoesterd en financieel gesteund. Zijn band met het ruime sop en zijn liefde voor deze levenswijze zijn in de loop der jaren alleen maar gegroeid. ‘Mensen die van de zee houden zijn daar vaak aan overgeleverd,’ zegt hij. ‘De zee overheerst en heeft een geheel eigen karakter.’
Hij heeft een zus in Baniyas, een kuststad op het Syrische vasteland, maar dat leven trekt hem niet aan. ‘In twintig jaar ben ik slechts één keer bij haar gaan logeren,’ zegt hij.
Weitere Episoden von „360 Magazine“



Verpasse keine Episode von “360 Magazine” und abonniere ihn in der kostenlosen GetPodcast App.







